Hoe kun je als kunstenaar wegblijven van gentrificatie en bijdragen aan een gezonde stad?

Stellen dat kunstenaars aanstichters zijn van gentrificatie is niet juist, individuen hebben weinig invloed op die grote, complexe processen van stedelijke ontwikkeling. Maar dat de creatieve klasse, en dus ook kunstenaars, invloed hebben op hoe een stadsdeel zich ontwikkelt valt ook niet te ontkennen. Sarah Doorduin onderzoekt hoe kunstenaars die invloed kunnen inzetten, zeker zij die werken aan participatieve projecten binnen een gemeenschap of stadsdeel. Dit artikel verscheen op Mister Motley.

Intieme werelden

Toen ik onlangs bij de tentoonstelling JR: Chronicles in het Groninger Museum was, werd ik geraakt door de intieme werelden die de Franse kunstenaar JR schept in zijn beelden. Hij interesseert zich voor de mensen op een plek, zij die de buurt leven geven, en lijkt daar helemaal in op te gaan. Hij reist van plek naar plek voor de verhalen om die uiteindelijk te tonen aan de rest van de stad. Want, wie zijn je medebewoners eigenlijk en zijn zij wel zo verschillend als je denkt?

Vooral zijn serie portretten van inwoners van de banlieues in Parijs greep me aan. Hij mengt zich in de groepen uit die wijken en mag uiteindelijk zó dichtbij komen dat hij ook letterlijk met zijn camera op minimale afstand komt. Dat levert intieme en indringende portretten op die hij vervolgens levensgroot op muren in de openbare ruimte van andere, beterbedeelde wijken in Parijs plaatst. Zo brengt hij de mensen uit de banlieues naar de binnenstad. Want, zij zijn toch ook onderdeel?

JR behoort tot de groep kunstenaars die tegenwoordig in de openbare ruimte werken aan sociale en participatieve kunstprojecten. Een kunstvorm die kan bijdragen aan het geven van een stem aan hen die amper gehoord worden en aan de ontwikkeling van het individu én een stadsdeel.

Want dat kunst een verbindende rol kan spelen, zoals bij het werk van JR, en kan zorgen voor beweging in een stedelijk gebied lijkt me helder. Maar dat daar makkelijk misbruik van gemaakt kan worden of dat deze goede bedoelingen anders uitpakken, ook. Want hoe vaak zien we niet dat wijken waar kunstenaars net hun optrekje hebben gevonden of projecten uitvoeren, gentrificeren en kunstenaars daarmee hun eigen graf én dat van anderen hebben gegraven? Daarom rijst de vraag, hoe kunnen kunstenaars wel bijdragen aan rechtvaardige stedelijke ontwikkeling?

Het ontstaan van gentrificatie en de opkomst van de creatieve klasse

De Britse socioloog Ruth Glass schreef begin jaren ’60 voor het eerst over gentrificatie om de transformatie van Londense arbeidersbuurten te duiden. “Once this process of ‘gentrification’ starts in a district,” schreef ze, “it goes on rapidly until all or most of the working class occupiers are displaced and the whole social character of the district is changed.” (1) Wanneer het gentrificatieproces eenmaal is begonnen zijn binnen de kortste keren de oorspronkelijke bewoners verdreven en is het hele sociale karakter van de buurt veranderd. Maar wat ís dan precies gentrificatie, dat proces waarbij oorspronkelijke bewoners worden verdreven? Waarom gebeurt dat?

Gentrificatie is het proces waarbij oudere en minder ‘ontwikkelde’ wijken op sociaal, economisch en cultureel gebied worden opgewaardeerd. Daardoor worden mensen met hogere inkomsten aangetrokken en verandert het karakter van de wijk. Deze ‘opwaardering’ zorgt voor stijgende huizenprijzen, ook voor degenen die er al woonden en oude bewoners kunnen dat vaak niet meer betalen. Zij moeten wijken voor de hogere inkomensklasse. (2)

Ondanks dat er mensen worden verdreven werd gentrificatie op beleidsniveau lange tijd als iets positiefs beschouwd. De komst van hoger opgeleiden zou zorgen voor meer actie in de wijk, het zou een goede voedingsbodem voor nieuwe ondernemers zijn, kansen bieden om te investeren in woningen, noem maar op. Zo schreef ook Richard Florida zo’n twintig jaar geleden in zijn invloedrijke The Rise of the Creative Class wat de voordelen zijn van creatieven en hoger opgeleiden in de stad en hoe de creatieve elite een stad nieuw leven kan inblazen. Onderzoek wees namelijk uit dat als je creatieven naar een stad trekt omdat deze aantrekkelijk is voor hen, vooral vanwege lage huren, ze andere bevolkingsgroepen vanzelf meetrekken in positieve ontwikkelingen. “Als het goed gaat met de creatieve klasse, volgt de rest vanzelf.” (3)

De opkomst van de creatieve industrie

Vlak voor de komst van Florida’s invloedrijke boek deed in 1998 de term ‘creatieve industrie’ zijn intrede om de verouderde structuur van de Britse economie nieuw leven in te blazen. Onder de term creatieve industrie verstond men in de nieuwe structuur plots 13 sectoren, die eerst allemaal een aparte branche waren. Sindsdien wordt er veel onder het begrip creatieve industrie geschaard; van beeldende kunst tot bijvoorbeeld softwareontwikkeling. De creatieve industrie gaat over de schepping van originele ideeën, objecten, productieprocessen en verdienmodellen. Innovatie staat hoog in het vaandel. Hetgeen in de creatieve industrie geproduceerd wordt heeft naast nut vaak ook nog een symbolische waarde, het is mensenwerk en kan niet zomaar worden vervangen door machines. De creatieve industrie gaat daarmee niet alleen over de verschillende sectoren en het werk wat je daarbinnen doet maar ook over een bepaald artistiek milieu dat wordt gecreëerd door die industrie. Vaak hopen verschillende bedrijven en ondernemers uit de creatieve industrie zich op op de plekken waar kunstenaars hun intrek al hadden gedaan. Door die ophoping van creatieven wordt er een artistiek milieu gecreëerd dat niet alleen een grote aantrekkingskracht heeft op de kunstenaars die er al zaten, maar op veel meer mensen, de zogenoemde creatieve klasse. Door dit geliefde artistieke milieu stijgt uiteindelijk de economische waarde van de oorspronkelijke kunstenaarshabitat en komt de positie van de kunstenaar op die plek in het geding. Diegene is namelijk vaak minder kapitaalkrachtig dan andere liefhebbers van het artistieke milieu en zo is de kunstenaar degene die steeds moet vertrekken uit het door hem ooit zo geliefde en gecreëerde milieu. (4)

Eind jaren ‘90 is ook de tijd waarin vrijplaatsen in Nederland voor kunstenaars verdwijnen en broedplaatsen, met allerlei creatieven, hun intrede doen. Amsterdam ontwikkelt een heus broedplaatsenbeleid en ook op andere plekken wordt de theorie van Florida, dat de creatieve klasse een positieve ontwikkeling kan verzorgen, opgepikt door stadsbesturen. Zo komt het dat er uiteindelijk op veel plekken gentrificatiebeleid gevoerd werd en de natuurlijke ontwikkeling van de stad juist werd verstoord.

De lijn tussen ontwikkeling en uitsluiting is in deze situatie akelig dun. In het begin lijkt alles beter, maar al snel kunnen de kenmerken van gentrificatie gesignaleerd worden, iedereen herkent het beeld van bakfietsen, dure havercappucino’s, urban jungles en authentiek gebrouwen bier.

De dunne lijn tussen ontwikkeling en uitsluiting

En dat is ingewikkeld, want vaak begint stedelijke ontwikkeling met het ‘onschuldig’ verbeteren van stadsdelen om voor iedereen een fijnere leefomgeving te creëren. Maar uiteindelijk lijkt het niet te gaan over het verbeteren en maken van een stad voor iedereen, maar om het bouwen met financieel rendement, zonder oog te hebben voor de sociale vraagstukken die spelen in die desbetreffende stad. En dat gaat ten koste van diegene wiens inkomen het laagst is en wiens stem het minst gehoord wordt.

De lijn tussen ontwikkeling en uitsluiting is in deze situatie akelig dun. In het begin lijkt alles beter, maar al snel kunnen de kenmerken van gentrificatie gesignaleerd worden, iedereen herkent het beeld van bakfietsen, dure havercappucino’s, urban jungles en authentiek gebrouwen bier. En ook hoog aangeschreven scholen, witte mensen en schone straten zijn van die kenmerken. Maar gentrificatie gaat veel verder. De hippe koffies zijn slechts een symptoom van het proces.

Als we dan kijken naar wat er schort aan het systeem waarin gentrificatie floreert, zou het tegenovergestelde, een rechtvaardige stad, wel eens kunnen betekenen “dat economische belangen niet dominant moeten zijn over sociaal-culturele doelen, dat ruimtelijke ontwikkeling er is om de behoeften van bewoners van de stad zo goed mogelijk te faciliteren en dat die bewoners – en gebruikers – ook zeggenschap hebben over die ontwikkeling.” (5) Of zoals Susan Fainstein het samenvat: “Een rechtvaardige stad ‘is een stad waarin het beleid niet alleen wordt bepaald door economisch rendement, maar ook wordt getoetst aan zijn sociale gevolgen.” (6)

Hoe draag je als kunstenaar bij aan rechtvaardige ontwikkeling?

Stellen dat de kunstenaar aanstichter is van gentrificatie is niet juist, je hebt als individu weinig invloed op die grote, complexe processen van stedelijke ontwikkeling. Maar dat de creatieve klasse, en dus ook kunstenaars, invloed hebben op hoe een stadsdeel zich ontwikkelt valt ook niet te ontkennen. Dat is een gegeven en een invloed die je ook kan inzetten als kunstenaar, zeker als je werkt aan participatieve projecten binnen een gemeenschap of stadsdeel. Bij dergelijke projecten kan je kijken hoe je als kunstenaar zo ver mogelijk van het gentrificatieproces wegblijft om op rechtvaardige wijze bij te dragen aan stedelijke ontwikkeling voor iedereen. Want als kunstenaar kan je ook een positieve invloed hebben en heb je de kracht om verandering teweeg te brengen. Maar wat is daar voor nodig? Hoe kun je als kunstenaar zo ver mogelijk wegblijven van gentrificatie en juist bijdragen aan een gezonde stad?

Door verschillende kunstenaarspraktijken te bestuderen van makers die werken met en binnen een gemeenschap heb ik een aantal kernwaarden gefilterd waarmee je rekening kunt houden bij het werken in een lokale context en voor het bijdragen aan rechtvaardige ontwikkeling van die stedelijke context. Bestudeerde en hieronder voorkomende praktijken zijn die van design antropoloog Tina Lenz, architect Arna Mačkić en kunstenaar Jeanne van Heeswijk.

1. Werk binnen bestaande structuren

Door kunstenaars die in de publieke ruimte werken aan projecten rondom rechtvaardige stadsontwikkeling en daar een bijdrage aan proberen te leveren wordt vaak gesproken over het werken binnen bestaande structuren. Of, binnen de context van de publieke ruimte, zoals samenwerken met de lokale ondernemers die al relaties met elkaar en bewoners hebben en kennis van de context omdat zij die elke dag meemaken. Door die structuren te onderzoeken gebruik je kennis van de aanwezige kwaliteiten en talenten, de geschiedenis van die plek en de gebruikers van de plek. Zo vertelt design antropoloog Tina Lenz dat ze om die reden vaak werkt via de lijn van vriendschap of collegialiteit met gebruikers van de plek om op gelijkwaardige manier de omgeving te verkennen. (7)

2. Werk aan nieuwe en versterkte structuren

Binnen en met die bestaande context is voor makers ruimte om nieuwe structuren te creëren. Om een ander verhaal te vertellen, de positie van de bestaande structuur te versterken en te laten zien wat óók mogelijk is. Maak daarbij gebruik van de lokale kwaliteiten en talenten, geef die zeggenschap en verbreed en verdiep hun blik door jouw perspectief als buitenstaander en kunstenaar. Doe dit middels een gelijkwaardige en inclusieve werkwijze. Op deze manier wordt de positie van de bestaande structuren versterkt, er wordt meer gevoel van eigenaarschap en betrokkenheid gecreëerd en er worden samen ideeën over de toekomst gevormd die door de gecreëerde betrokkenheid meer draagvlak vinden. Het gaat dus om het faciliteren van de behoeften van bewoners en gebruikers van een plek en hen zeggenschap over de ontwikkelingen geven.

Architect Arna Mačkić vertelt in verschillende interviews over een gedeelde collectieve identiteit die voortkomt uit de geschiedenis van een plek. In haar streven naar inclusieve architectuur, dat plaatsvindt in het hele proces van opdracht aannemen tot het ontwerpen, stelt ze zichzelf vragen als: Voor wie is het? Voor wie moet het toegankelijk zijn? Welke groepen worden nog niet bediend in de wijk? Hoe zorg je ervoor dat andere esthetieken ook een plek krijgen? (8)

3. Blijf altijd je rol als kunstenaar in de context bevragen

Bij het stellen van die vragen gaat het ook over het bepalen van je eigen rol als maker in de omgeving waar je te werk gaat. Als je je als maker bezighoudt met de rol die je inneemt in de maatschappij, rijst bij een nieuw project vanzelf de vraag van welke systemen je onderdeel uit gaat maken en óf je daar onderdeel vanuit wil maken.

Zo stelt Lenz zichzelf bij aanvang van een nieuw project altijd de vraag ‘Waarom ik?’. Een vraag die gaat over ruimte innemen en ruimte maken, En bovenal een vraag die handvatten biedt om te reflecteren op je rol als maker. “Door mezelf de vraag ‘waarom ik?’ voor te leggen, is het mogelijk om na te denken over mijn eigen rol en tegelijkertijd ook over welke taken niet voor mij zijn weggelegd.” De vraag impliceert immers ook andere vragen als ‘waarom niet ik?’, ‘wie dan wel?’ en ‘wanneer niet ik?’, de antwoorden daarop scheppen ruimte voor de ander en vormen het begin van een gelijkwaardige samenwerking. (9)

Ook kunstenaar Jeanne van Heeswijk is zich in haar projecten altijd uiterst bewust van haar rol. Ze ziet de stad als haar werkplaats en artistieke leefomgeving (10) en zij ziet zichzelf daarin altijd als medemaker, ze deelt haar kunstenaarschap met andere medemakers in gezamenlijke processen. (11)

“Binnen dergelijke projecten is jezelf bevragen heel belangrijk, wees kritisch op jezelf en je eigen werken,” zegt Heeswijk, “zeker als het gaat om werken binnen de complexe processen van stedelijke ontwikkeling.” Tegelijkertijd stelt Heeswijk dat je ook niet naïef moet zijn, want het werken binnen deze processen is super complex, dat los je niet zomaar op en al helemaal niet met een leuk voortuintjesproject. Er zijn zulke grote krachten aan het werk, dat je als kunstenaar wel een activistische rol aan móet nemen wil je werken aan een rechtvaardige ontwikkeling van de stad.

Mačkić is van mening dat je daarom niet alleen kritisch op jezelf moet zijn, maar ook op de gemeente en ontwikkelaars waar je, zeker in haar vakgebied, mee samen werkt. Zij neemt bijvoorbeeld bepaalde opdrachten niet aan, “als ik weet dat ze exclusief voor één bepaalde groep zijn of als er door de opdrachtgever wordt gevraagd naar een soort homogeniteit in de esthetiek van de architectuur.” Mačkić vindt dat je partijen die je tegenkomt daarop moet aanspreken. (12)

Het gaat hierin als maker dus om een grotere betrokkenheid, dat je als kunstenaar meer wil dan een kunstwerk maken en dat je tegelijkertijd die betrokkenheid blijft bevragen. Blijf jezelf vragen stellen: Waarom ik? Met wie? En voor wie?

4. Benader de gebruikers als ervaringsdeskundigen

Niet alleen de betrokkenheid van de kunstenaar telt, ook de betrokkenheid van inwoners is van groot belang, zij zullen het project en de uitkomsten uiteindelijk moeten dragen en kennen hun omgeving als geen ander. Om die betrokkenheid van burgers bij hun eigen leefomgeving te faciliteren moet je als maker eerst de wereld van inwoners en gebruikers willen begrijpen en onderzoeken welke thema’s en vraagstukken er spelen om vanuit daar te kunnen werken aan mogelijke ‘oplossingen’.

Het is belangrijk om daar aandacht aan te schenken, zegt Mačkić, want “Hoe zorg je ervoor dat je de behoefte van achtergestelde groepen leert kennen, zodat je die kunt meenemen in je ontwerpen?”. Zij vraagt de opdrachtgever voor aanvang van een project altijd of ze alvast met bewoners kan praten om te achterhalen wat de buurt er eigenlijk van vindt en wat hun wensen zijn. (13)

Achterhaal dus altijd eerst de belangen en behoeften van de ervaringsdeskundigen van de context om te kunnen werken aan de vraagstukken die spelen in de omgeving.

5. Werk op een toegankelijke, gelijkwaardige en inclusieve manier

Om te zorgen dat iedereen zich welkom voelt hun wensen uit te spreken, zo veel mogelijk betrokkenheid te creëren en daarmee een zo breed mogelijk perspectief te schetsen, is het van belang de waarden gelijkwaardigheid, toegankelijkheid en inclusiviteit hoog in het vaandel te houden.

Van Heeswijk creëert bijvoorbeeld gelijkwaardigheid door deelnemers én zichzelf aan ‘haar’ projecten altijd als medemakers te beschouwen. Bovendien ontstaat er een sfeer waarin iedere ervaring gelijk is en iedereen zijn wensen, ideeën en behoeften kan uitspreken door deelnemers te benaderen als deskundigen van de eigen ervaring van de context. Naast gelijkwaardigheid is toegankelijkheid ook een belangrijke pijler die gaat over het creëren van een voor iedereen in de samenlevingscontext toegankelijk project zodat de uitkomsten en resultaten inclusief zijn. Toegankelijkheid kan op verschillende manieren gecreëerd worden. Mačkić heeft het vanuit haar achtergrond als architect over de letterlijke toegankelijkheid van een gebouw, maar ook over de gevoelsmatige toegankelijkheid van architectuur. Zij wil graag inclusieve en dus voor zoveel mogelijk mensen toegankelijke architectuur ontwerpen en dat heeft onder andere te maken met de beeldtaal die wordt gebruikt. “Het is een misverstand te denken dat die beeldtaal neutraal moet zijn, want dan identificeert juist niemand zich er meer mee.” En, zo zegt Mačkić, als we ons niet kunnen identificeren met onze eigen leefomgeving heeft dat invloed op de mate waarin we ons vrij voelen om te participeren en onze verantwoordelijkheid naar de stad en de mensen om ons heen te nemen. (14)

Change the way we see de stad

Uiteindelijk is gentrificatie een complex proces, onder andere omdat de kern van het probleem ligt bij grote bedrijven, gemeenten en krachten van bovenaf, terwijl het vaak toegeschreven wordt aan individuen zoals de kunstenaar. Toen ik kortgeleden de documentaire ‘Push’ (15) zag, over de uit de pan rijzende huur- en huizenprijzen in grote steden, drong weer tot me door hoeveel grote krachten er achter de verstoorde balans in grote steden zitten. Daar is een broedplaats of een atelier van een individuele kunstenaar niets bij.

Het is duidelijk dat je die verstoorde balans als individu nooit kunt herstellen en het is een complex gebied om je in te begeven. Er is geen vastomlijnde manier van werken en het is zaak steeds opnieuw de omgeving te leren kennen. Toch is het interessant om je rol als kunstenaar te beschouwen en te kijken welke invloed je wél kan hebben. Als kunstenaar kan je een stem geven aan hen die niet gehoord worden en oog hebben voor de bestaande structuren en de waarde van een diverse stad. Misschien gaat het wel meer om het tonen van dat belang, dan de grote krachten te bevechten. Zoals JR zegt:  ‘Art is not supposed to change the world, but to change perceptions. Art can change the way we see the world.’ En dus ook the way we see de stad. Om de stad en zijn ontwikkelingen zo van en voor iedereen te maken.

1: Ruth Glass, 1964, geciteerd in: Richard Florida, The new urban crisis, (New York: Oneworld Publications, 2018): 65
2:
 Seada Nourhussen, ‘Gentrificatie gaat niet over hipsters maar over onrecht’. OneWorld

3: Richard Florida, ‘Winnaars en verliezers’. Bpd magazine, 8 (2018): 53
4: 
Laurens Kolks, ‘Gentrificatiepioniers tegen wil en dank? De invloed van kunstenaars op gentrificatie’ (2016) [online publicatie]
5: 
Simon Franke & Wouter Veldhuis, Verkenning van de rechtvaardige stad. (Amsterdam: trancityxvaliz, 2018), 24
6: 
Susan Fainstein, geciteerd in Franke & Veldhuis, 24
7: 
Persoonlijke communicatie

8: ‘Architect Arna Mackic: plekken moeten van iedereen zijn’. Brainwash (2020)
9: 
Tina Lenz, et al. Ritueel Geopend, (2021), 21
10: 
Hugo Bongers & Eva Visser, ‘Mijn werk bevindt zich in de condities van het lokale’. Puntkomma (2015)
11: 
Susanne van Balveren, ‘‘Durf politiek te dromen’ – In gesprek met Jeanne van Heeswijk’. Mister Motley (2021)
12: 
Milo Vermeire, ‘Interview met Arna Mackic over de bedreiging van de inclusieve stad’. Mister Motley (2019)
13: 
‘Architect Arna Mackic: plekken moeten van iedereen zijn’. Brainwash (2020)
14: 
Annemiek Leclaire, ‘Dit is Arna Mackic, architect van de wederopbouw’. Vrij Nederland (2016)
15: 
Fredrik Gertten (Regisseur), ‘Push’, 2Doc (2019)

© 2022 Bureau Ruimtekoers